Religie in de media (met reactie van Aad Hofland)

14 december 2012 – dr. Arjan Plaisier, scriba van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland schrijft:

Het is duidelijk: er zal vanaf 2016 geen publiek geld meer gaan naar de levensbeschouwelijke omroepen (de zogenaamde 2.42 omroepen), waaronder de IKON (of beter de VKZ) en de RKK.

Een regeling die vele jaren heeft bestaan, komt ten einde. Er moet in Hilversum heel hard bezuinigd worden en dus is er geen budget meer voor deze omroepen. Bezuinigingen treffen allen, maar het lijkt erop dat deze bezuiniging een ideologische lading hebben. De lading dat er geen publiek geld mag gaan naar levensbeschouwing in het algemeen, religie in het bijzonder en de kerk in het meest bijzonder. De rillingen liepen al lang over de rug bij dit idee. ‘In een land van scheiding van kerk en staat moeten we daar toch ver van blijven? Geen publiek geld naar religie. Geen geld voor kerkdiensten (bijvoorbeeld)’. Wel voor sport kennelijk. Wel voor brood en spelen. Dat er op zondag meer mensen naar de kerk gaan dan naar het stadion lijkt niet relevant te zijn. Het publiek belang moet gediend worden door de publieke zenders, als het maar geen religie is, en als het maar geen kerk is. Misschien hebben wel heel veel mensen behoefte aan een kerkdienst of iets dergelijks op de zondagmorgen. ‘Daar kan geen publiek geld heen, want het is religie’. Zo bont is het nog niet, maar het begint er al aardig op te lijken. Welke opvatting over publieke ruimte, publiek leven en publiek geld zit hier eigenlijk achter? Wat voor een platvloers idee?

Lees verder op de PKN site.

Lees ook het artikel op de site van de EO

 

 

1 thought on “Religie in de media (met reactie van Aad Hofland)”

  1. Een deel conclusie uit mijn essay(30 november 2012) over Religie en de civil society: Hoe kunnen de huidige vormen van moreel en geestelijk engagement in Nederland (beter) worden vertaald in de civil society?

    6.2 Religie blijft belangrijk voor mensen en voor de samenleving: een samenvatting
    Velen zoeken in een meer rechtvaardige samenleving niet langer de realisatie van het goddelijke – dus niet meer het sacrale, zij zijn het als een sociaal project gaan zien. Het goddelijke heeft zich echter niet geheel uit de moderne wereld teruggetrokken. Van den Brink ziet zelfs golfbewegingen van honderd jaar, waarin hij op basis van de cultuurgeschiedenis van de afgelopen eeuwen tot de conclusie komt dat er eens per eeuw een streven naar uitzuivering en verinnerlijking plaatsvindt, die niet uit economische of politieke motieven is te verklaren. Het lijkt erop dat de huidige crises in religie, financiën, economie, ecologie, gezag, zorg, solidariteit, en op welk domein eigenlijk niet, ook in de ver doorgevoerde individualiteit, voorboden vormen van zo’n nieuwe fase van uitzuivering en verinnerlijking – misschien weg van de eindeloos doorgevoerde rationaliteit en vooruitgangsgeloof, en weg van de sterke individualisering van het ‘ik’, en meer gericht worden op de menselijke maat waarvoor religie veel handreikingen kent, de menselijke maat die zo bepalend is voor de samenlevingsvorm.
    Religie blijft de samenleving voeden, want vanuit religie betonen mensen vaak solidariteit. Vanuit religie hebben ze antwoorden op de noden van anderen en wordt er onbaatzuchtig gehandeld, wat teruggaat op transcendentie. Met andere woorden, wat van Harskamp aangaf: wanneer je wordt aangesproken door een goddelijke transcendentie, kan dat betekenen dat je even wordt losgetrokken uit de sfeer van het economisch handelen. Of wat breder opgevat, zoals Van den Brink dat zegt: het goddelijke als kracht die – tijdelijk – de verdeeldheid van het menselijk bestaan opheft. Die ervaring van het goddelijke kan zich in veel verschijningsvormen manifesteren: een religieuze ervaring, een gebeurtenis, een gesprek, bij scharniermomenten in het leven, het luisteren naar muziek of zomaar in iemands ogen zien. In het filosofisch betoog is bij filosofen de inbreng van religie in het publieke domein niet ontkend, integendeel, Habermas heeft na aanvankelijk afwijzen, toegeven dat religie belangrijk is in het publieke domein, mits duidelijk wordt gemaakt wat de voorstellingen uit de religie betekenen voor andersdenkenden. Rawls is wat voorzichtiger in zijn opvatting en geeft aan dat de liberale constitutie de bijdrage van religieuze groepen aan het democratisch proces binnen de civil society niet mag negeren. Denkers over de civil society van het eerste uur, zoals Locke, Rousseau en Hegel, hebben op basis van het feit dat mensen hun eigen belang nastreven, een vorm van religie ingebouwd die de noodzakelijke solidariteit moet bewerken. Latere filosofen denken echter godsdienst te kunnen mijden, en in dat latere denken is de civil society een begrip, een religieuze dieptedimensie geworden.

    In het hoofdstuk Kerk en Staat kunnen we zien dat de overheid op basis van haar kamerstuk uit 2004 schoorvoetend de communicatie over religie toestaat: er mag wel een tegengeluid worden ingebracht. Het is nog bepaald niet een voorwaardenscheppend beleid van de overheid om op die manier de kaders van religie in het publieke domein aan te geven. Het is op z’n minst een zwakke erkenning dat religie ertoe doet in de civil society.
    Inmiddels zien we dat bepaalde gemeentebesturen aan het einde van de twintigste eeuw de kerk weer hebben ontdekt als positieve krachten in de wijk, in het dorp en de stad, als instellingen die te zijn benutten als een civic resource. Ook Cohen, de toenmalige burgemeester van Amsterdam, gaf in 2007 aan dat de sociale cohesie gebaat was bij een permanente dialoog tussen de overheid en religieuze gemeenschappen. Een bijzonder positief punt ten aanzien van de samenwerking tussen de overheid en de civil society is de uitvoering van de Wmo. Door deze wet is het accent van de zorg voor welzijn verschoven van de overheid naar de civil society. Kerken maken daar deel van uit. Bij de parlementaire behandeling is de kerk door haar grote organiserend vermogen met vrijwilligers als een van de actoren aangewezen. De diaconieën krijgen met deze wet niet alleen gereedschap in handen om medeverantwoordelijkheid voor beleid te voeren, maar ook de mogelijkheid om te worden betrokken bij de uitvoering van voorzieningen.

    Het lijkt erop dat religie de democratische discussie, die tot op heden vrijwel door het seculiere gedachtegoed werd gevoed, weer levendig mag houden. Maar toch is het nog niet overtuigend genoeg, gezien de oproep van de Raad van Kerken, die in haar brief van 13 september 2011 aan de Staten-Generaal vraagt om religie een plek te geven in het publieke domein en deze rol te respecteren en te faciliteren. Dat er ook bij wetenschappers behoefte bestaat om in kaart te brengen hoe met religies moet worden omgegaan door de staat, door de samenleving en maatschappelijke organisaties, moge blijken uit een onderzoek dat door het NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) in juni 2012 is gestart.

    Na de korte samenvatting, het betoog dat religie belangrijk is voor de samenleving en het besef dat er weer aandacht is voor religie in het publieke domein – hoewel nog aarzelend – komt dan toch de prangende (hoofd)vraag naar voren: hoe kunnen de huidige vormen van moreel en geestelijk engagement in Nederland (beter) worden vertaald naar de civil society, want daarmee zou mogelijk een civil society kunnen ontstaan die de burger helpt om zich op een nieuwe grondslag te verenigen en waarin alle levensbeschouwelijke bewegingen weer een plaats zouden kunnen krijgen.

    6.3 Vertaling van huidige vormen van moreel en geestelijk engagement in Nederland naar de civil society: beantwoording van de hoofdvraag
    Van den Brink geeft als oorzaken aan voor het gegeven dat de huidige vormen van moreel en geestelijk engagement niet meer worden vertaald in de civil society, dat ons praktisch handelen voor een deel niet meer wordt ingegeven door een geloof, en verder dat als we geloven, dat dat zich vooral in de private sfeer voltrekt, en tot slot doordat we vrijwel geen taal meer hebben die dat handelen vanuit het hogere bespreekbaar maakt. Dat betekent nogal wat, want een goed werkende civil society is een essentieel onderdeel van een democratische cultuur, zonder welke een democratische structuur niet kan werken.

    In eerste instantie gaat het om het weer zichtbaar worden van die vormen van moreel en geestelijk engagement. Veelal gaat het dan om de inzet van de naaste omgeving, zoals familie, buren, vrijwilligers in de buurt, of van kerkelijke verbanden, of bijvoorbeeld de sportvereniging, want daar kan samenwerking en verbinding ontstaan. De civil society vormt de basis in de driehoek met de staat en markt. Edelkoort zegt het anders en breder: er zijn weer mogelijkheden om met elkaar dingen op te zetten. Ze zegt dat we weer terug bij af zijn: bij een primitief tijdsbeeld, bij het idee van gezamenlijkheid van tribale aspecten en rituelen, iets dat bijna niet meer wordt gekend. De samenleving dichtbij wordt weer belangrijker. Het gaat om een onderlinge betrokkenheid en verbondenheid en die creëert de civil society, meer dan welke professionele organisatie ooit zou kunnen.
    Religie, dus ook kerken, krijgen weer kansen, nu er bij de hedendaagse mens weer aansluiting wordt gezocht bij de overgeleverde waarden en symbolen en minder wordt uitgegaan van het vooruitgangsgeloof. De lokale kerk laat meer en meer een open gezicht zien, treedt meer naar buiten in het publieke domein en beschikt over vele vrijwilligers om aan projecten en activiteiten in de samenleving vorm te geven. Maar nog belangrijker is dat de kerken hun eigen grenzen overschrijden en gaan samenwerken, bijvoorbeeld met de lokale Raad van Kerken, of in andere vormen van spirituele samenwerkingsverbanden uit de multiculturele samenleving of uit vrijwillige associaties van burgers, die niet alleen bepaalde idealen met elkaar gemeen hebben, maar deze ook in het openbare leven uitdragen: via meningsvorming, activiteiten en projecten die ten dienste staan aan het welzijn van de burgers in de lokale omgeving. Belangrijk is ook dat niet-gelovigen bij dat proces worden betrokken en worden gevraagd op basis van hun competentie mee te werken via vrijwillige associaties – de meest genoemde reden waarom men niet actief is, is dat men nooit gevraagd is; de meest genoemde reden dat men wel actief is: dat men daartoe gevraagd is – zo mogelijk via kortetermijnprojecten. Dit laatste omdat men zich in het algemeen niet zo lang meer bindt. Op die manier wordt het wellicht duidelijk dat er een vertaling van religie naar de publieke taal kan ontstaan, waardoor religie toegankelijker en beter wordt begrepen: een basis dus van waaruit men handelt in het publieke domein. Essentieel is ook dat de lokale overheid als partner optreedt, met kerken en andere samenwerkingsverbanden, en in de lokale omgeving samenwerkt. Die lokale overheid moet daarbij niet schuwen om op basis van bijdragen die spirituele coöperaties leveren aan de lokale samenleving, subsidies te verstrekken, op basis waarvan een uitruil van informatie kan plaatsvinden.

    Het internet kan bij de overheid, de spirituele coöperaties en de samenwerkingsverbanden een grote ondersteunende rol spelen in de civil society: opinievorming en mobilisering van vrijwilligers. Edelkoort stelt dat hoewel we weer terug bij af zijn in de samenleving, deze allesbehalve ouderwets is: alles gaat via internet en de moderne communicatiemiddelen. Het gaat daarbij om weak ties, kortlopende, partiële en vaak vluchtige relaties, maar die wel van groot belang zijn voor de ideeënverspreiding en voor het samenbrengen van onderling sterk verschillende mensen: om verbondenheid. Internet blijft de kern van de civil society ondersteunen: publieke opinievorming en motivatie tot vrijwillige inzet.

    Hierboven is een aantal mogelijkheden aangegeven waardoor de moraliteit en het geestelijke engagement weer zichtbaar kunnen worden in de civil society. Het is mogelijk dat deze nieuwe civil society, die dicht bij de mensen start, hen kan laten meewerken aan een betere (lokale) samenleving en dat zij de burger weer vertrouwen geeft dat zijn stem wordt gehoord en wordt gerespecteerd, maar waar ook respect is voor religie, juist omdat zij zo contrasterend kan werken als het gaat om de menselijke maat. Dat vraagt wel om een ontspannen houding tussen kerken of spirituele coöperaties en de overheid, en een meer poreuze scheiding, een meer werkzame relatie, tussen kerk en overheid.
    Hierboven is aangegeven dat er ontwikkelingen zijn die erop wijzen, dat religie en hoe religie weer in de civil society kan en mag worden ingebracht. De tijdsgeest lijkt er voor rijp te worden gemaakt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *